Het Constateren van drachtigheid bij Konijnen

  • Geplaatst op
  • Door Rinus Verhelst
  • Geplaatst in konijn
  • 0
Het Constateren van drachtigheid bij Konijnen

Hoewel het fokseizoen er nog aan moet komen, is het juist goed dat het aftasten naar jongen eens nader bekeken wordt. Nu zullen misschien veel lezers denken, of dat nu feitelijk wel nodig is; ik wacht wel tot de tijd daar is. Maar door dit aftasten kan men het wachten op jongen aanmerkelijk bekorten.

Het is namelijk heel goed mogelijk, dat de voedster, ondanks het feit, dat zij drachtig is, de ram toch toelaat, of dat ze deze weigert en desondanks toch bij de vorige dekking niet bevrucht is. In dit laatste geval kan men dan misschien een of andere afwijking constateren, zoals bv. een ontsteking van de geslachtsdelen, of uitslag in de buurt daarvan, gewonde tepels bij een voedster, die pas gezoogd heeft enz. Dit zijn punten, die een afkeer tegen paring te weeg kunnen brengen.

Men zal er daarom goed aan doen, -ook in verband met de speciale verzorging, welke een drachtige voedster met het oog op het krijgen van een krachtig nakomelingenschap dient te hebben-, niet alleen op de gedragingen van het dier bij de ram af te gaan, maar door het betasten van de buik na te gaan of er zich in de baarmoeder ontwikkelde jongen bevinden. Men zet het dier hiervoor op een tafel, liefst met een ruw oppervlak, bijvoorbeeld door er een jutezak op uit te spreiden. Zodat het dier niet kan uitglijden, waardoor het misschien wat onhandelbaar wordt. Pak het dier met de rechterhand bij de oren vast, waarbij dan ook meteen een huidplooi boven de schouders in de hand wordt genomen.

Door deze manier van vasthouden is het dier dan voldoende gefixeerd om het verdere onderzoek te kunnen verrichten. Met de linkerhand gaat men dan, langzaam en voorzichtig, onder de buik door tot tussen de achterbenen en voelt daar dan vanzelf de voorrand van het bekken. Vlak voor deze voorrand van het bekken drukt men nu aan de linkerzijde van het dier de duim wat omhoog en aan de rechterzijde de vingers en breng deze dan voorzichtig naar elkaar toe. Op deze manier kunnen de organen, die in de buik, vlak voor de bekkeningang liggen, worden afgetast. Rustig, langzaam en voorzichtig, zodat het dier niet verontrust wordt of zich verzet, omdat het anders misschien de buikspieren zal aanspannen en dan kan men niets voelen van hetgeen eventueel in de onderbuik aanwezig is.

Wat moet u nu voelen?

Vlak voor de bekkeningang liggen de beide baarmoederhoornen. Deze baarmoederhoornen, waarin de jongen zich bij een bevrucht dier ontwikkelen, zijn in onbevruchte toestand dun en slap en daardoor praktisch niet te voelen. Het wordt echter anders, als het dier drachtig is. Dan gaan zich daar de jongen ontwikkelen, die omgeven zijn door vruchtvliezen en vruchtwater. De baarmoederhoornen zullen op de plaats, waar een jong in ontwikkeling is, een meer of minder grote uitstulping vertonen, al naar gelang de grootte van de jongen en de daar omheen aanwezige vruchtvliezen, die met vruchtwater gevuld zijn. In de baarmoederhoornen hebben zich op de tiende dag na de dekking al duidelijk waarneembare en ook voelbare kleine balletjes gevormd.


onderzoek drachtig konijn

Nu het onderzoek zelf

Zoals men uit het bovenstaande wel begrijpt, gaat het er nu om, om de knobbeltjes, -die de zich ontwikkelende jongen met vruchtvliezen en vruchtwater in de baarmoederhoorn teweeg brengen-, te voelen. Dit lijkt zo op het eerste gezicht misschien erg moeilijk, maar het valt in werkelijkheid en vooral, wanneer men er wat handigheid in heeft gekregen, heel erg mee. Wanneer kan men nu deze onderzoekmethode met redelijke kans op succes toepassen?

De beste tijd daarvoor is vanaf de 10e tot de 16e dag na de dekking. Op het tijdstip van 10 dagen, zijn de jongen al zo ver ontwikkeld, dat zij als erwten naast elkaar liggen en dus groot genoeg zijn om door de buikwand heen gevoeld te kunnen worden. Wanneer men nu op de hierboven beschreven wijze de hand langzaam en voorzichtig van achteren naar voren beweegt en daarbij de zich in de buik bevindende organen, tussen duim en vingers door laat glijden, dan kan men in de baarmoeder de aanwezige jongen als kleine knikkers voelen.

Hierbij neemt de baarmoeder een eerste plaats in, omdat deze het laagst gelegen is. Als men te hard knijpt, dan bestaat er een kans, dat de vruchtvliezen gekneusd of los gescheurd worden, waarop dan het verwerpen van de jongen, een zogenaamde abortus (miskraam) zal volgen. Belangrijk hierbij is, dat een onderzoek op een tijdstip van 10 tot 16 dagen veel minder risico’s met zich meebrengt, betreffende het optreden van een abortus, dan wanneer dit in een later stadium van de drachtigheid gebeurt. Als de vruchten en de vruchtvliezen zich meer ontwikkeld hebben, zijn ze namelijk veel kwetsbaarder, want een gedeeltelijke losscheuring van de vruchtvliezen van de baarmoederwand kan dan gemakkelijker plaatsvinden. Bovendien is het zo, -en dat lijkt op het eerste gezicht misschien wel vreemd-, dat als de vruchten groter zijn, ze moeilijker te voelen zijn, omdat ze dan zo groot zijn, dat ze veel gemakkelijker met andere buikorganen, bij voorbeeld met ontlasting gevulde darmgedeelten, verward kunnen worden.

Vergissing bij nog onervarenheid

Als men eenmaal handigheid en ervaring heeft opgedaan bij het drachtigheidsonderzoek naar jongen, die tussen de 10e en de 16e dag in ontwikkeling zijn, dan lukt het al spoedig, om het al of niet drachtig zijn van een voedster op de 8e of de 9e dag vast te kunnen stellen. Men moet er bij het onderzoek steeds op verdacht zijn, dat de beide baarmoederhoornen, die normaliter vlak voor de bekkeningang liggen, naarmate de vruchten groter worden, zich meer naar voren bevinden. Nu bestaat er bij deze methode van onderzoek voor de nog niet over voldoende ervaring beschikkende onderzoeker wel het gevaar, dat hij een stuk darm met mestballetjes ten onrechte voor een bevruchte baarmoeder aanziet. Deze vergissing hoeft echter niet voor te komen, als men er maar aan denkt, dat de baarmoeder in het onderste gedeelte van de buik ligt en de ingewanden hoger liggen.


drachtig konijn

1. Baarmoederhoorn links en rechts in opengesneden toestand.
2. Ontwikkeling van de vrucht na 10 dagen dracht.
3. Ontwikkeling van de vrucht na 14 dagen dracht.
a. Embryo na een draagtijd van 14 dagen.
b. Embryo na een draagtijd van 21 dagen.
c. Baarmoederhoorn na een draagtijd van 10 dagen.
d. Baarmoederhoorn na een draagtijd van 14 dagen.
e. Baarmoederhoorn na een draagtijd van 21 dagen. Schaalaanduiding 1 cm. is in werkelijkheid 2,5 cm.

Bron: Kleindier magazine


Reacties

Wees de eerste om te reageren...

Laat een reactie achter
* Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.
* Verplichte velden
Muis Hamster Gerbil Rat Cavia Konijn Chinchilla Degoe
We hebben verschillende koekies voor knaagdieren, maar we hebben ook cookies die de website verbeteren! Vindt u dat goed? Ja Nee Meer over cookies »